NOS Nieuws•
De Staat heeft twee omwonenden van veehouderijen onvoldoende beschermd tegen geurhinder uit de veehouderij en daarmee hun mensenrechten geschonden. Dat heeft het gerechtshof in Den Haag besloten in het hoger beroep van een rechtszaak uit 2022. Dat betekent volgens het hof dat de Staat daar direct wat aan moet doen.
De zaak werd drie jaar geleden aangespannen door zestien omwonenden, die last hadden van de stank van grote stallen in hun omgeving in onder meer Limburg, Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel. Zij vinden dat hun gezondheid wordt geschaad en woongenot is geschonden.
“Als we een mistige dag hebben met een zuidwestenwind, dan ga je niet meer buiten zitten. Het stinkt als de hel”, zei klager Piet Catsburg destijds in de rechtszaak. Hij woont tussen stallen met daarin duizenden dieren.
Mensenrechten
De lagere rechter oordeelde in 2022 al dat de overheid de omwonenden onvoldoende beschermde tegen geurhinder uit de veehouderij. De stank zou voor acht van de klagende omwonenden zelfs zo erg zijn dat hun mensenrechten werden geschonden. Het vorige kabinet zei dat het met de omwonenden in gesprek zou gaan over een schadevergoeding en de wet zou aanpassen. Maar de Staat ging ook in hoger beroep.
Tijdens dat hoger beroep zei de advocaat van de Staat dat het grote gevolgen zou kunnen hebben als het vonnis overeind bleef. De Staat zou mogelijk zelfs duizenden vergunningen van boerenbedrijven moeten intrekken of aanpassen om de overlast op te lossen. Hij betoogde dat het niet aan de rechter is om te bepalen hoeveel geurhinder te veel is, omdat iedereen dat anders ervaart.
De advocaat van de overheid wees er ook op dat de geldende – democratisch tot stand gekomen – regels gevolgd zijn. Daarbij wees hij er ook op dat er inmiddels een nieuwe politieke werkelijkheid is.
Te soepele regels
De advocaat van omwonenden vertelde juist waarom die regels volgens hem te soepel zijn: voor de veehouderij zijn de regels voor geurhinder soepeler dan die voor andere industrie. Omwonenden hebben last van de stank uit meerdere stallen, terwijl bij de vergunningverlening per stal daar geen rekening mee gehouden wordt.
Bovendien hebben sommige boeren ook meer varkens in een stal kunnen zetten, doordat een tijdlang ervan is uitgegaan is dat zogenoemde luchtwassers meer geur afvangen dan ze doen, voerde hij aan. Daardoor is de geurbelasting in werkelijkheid soms hoger dan volgens de vergunning is toegestaan.
Extreme geurhinder
Het hof gaat dus deels in dit verhaal mee: de wet beschermt mensen onvoldoende. Maar het hof is daarbij wel strenger dan de lagere rechter, omdat volgens het hof de overheid ook ruimte moet houden om zelf beleid te maken. Wel zegt het hof dat in de twee gevallen volgens criteria van het RIVM de categorie extreme geurhinder fors wordt overschreden. In deze gevallen heeft de Staat de verplichting om daar wat aan te doen.
Een van de omwonenden is met hulp van de overheid inmiddels verhuisd, voor de ander zal dus een oplossing gevonden moeten worden. Dit kan ook houvast bieden voor omwonenden in vergelijkbare extreme situaties. De advocaat van de omwonenden zegt hierover: “De vorderingen zijn in beperktere mate toegewezen dan de rechtbank had gedaan. Maar de kern staat nog wel overeind.”
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst erop dat er aan nieuwe geurwetgeving wordt gewerkt en zegt de uitspraak te bestuderen. De partijen kunnen nog in cassatie tegen de uitspraak.