NOS Nieuws
Op de dag waarop Japan het einde van de Tweede Wereldoorlog herdenkt, kiest het kabinet van premier Takaichi ervoor vooral de eigen slachtoffers te gedenken. Over het oorlogsgeweld dat Japan zelf in Azië aanrichtte, wordt vandaag niet gerept en van een spijtbetuiging is geen sprake.
Tegelijkertijd bezocht minister Koizumi van Defensie vandaag het omstreden Yasukuni-heiligdom, waar ook veertien belangrijke oorlogsmisdadigers worden vereerd. Daarmee wakkert de Japanse regering de spanningen met China verder aan en lijkt het de voorzichtige toenadering tot Zuid-Korea te ondermijnen.
Koizumi arriveerde vanochtend vroeg bij het heiligdom in Tokio. Hij vertrok na zijn bezoek zonder vragen van journalisten te beantwoorden. Ook een groot deel van de top van de regerende Liberaal-Democratische Partij was aanwezig, onder wie de partijsecretaris, de bestuursvoorzitter en de verkiezingschef.
Bijdrage van de premier
Premier Takaichi zelf bleef weg, maar liet een partijlid namens haar een financiële bijdrage aan het heiligdom overhandigen. Ze betaalde die uit eigen middelen en formeel als voorzitter van de LDP, aldus de premier.
Op die manier kon Takaichi symbolisch deelnemen aan de herdenking bij Yasukuni, zonder het politiek en diplomatiek gevoelige besluit te nemen om het heiligdom persoonlijk te bezoeken.
Het bezoek van minister Koizumi ligt ook gevoelig. Hij staat aan het hoofd van de Japanse Zelfverdedigingstroepen. Zijn ministerie verbiedt gezamenlijke bezoeken van militaire eenheden aan Yasukuni, omdat in Japan staat en religie volgens de grondwet gescheiden zijn. Ook als Koizumi zijn aanwezigheid als een privébezoek zou bestempelen, is die scheidslijn vanwege zijn functie moeilijk te bepalen.
Premier rept niet over spijtbetuiging
Enkele uren na het bezoek van Koizumi sprak premier Takaichi op de nationale herdenkingsplechtigheid. Ze herdacht de ongeveer 3,1 miljoen Japanners die tijdens en kort na de oorlog omkwamen, onder meer op het slagveld, bij de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, tijdens bombardementen op Japanse steden en in de strijd om Okinawa.
“We zullen de verschrikkingen van de oorlog nooit opnieuw laten plaatsvinden”, zei ze. Opvallend afwezig waren de woorden ‘berouw’ en de expliciete ‘belofte nooit meer oorlog te voeren’. Haar voorganger Shigeru Ishiba had die formuleringen vorig jaar juist teruggebracht in de jaarlijkse toespraak.
Takaichi kiest daarmee opnieuw voor de lijn van haar politieke mentor Shinzo Abe. Die schrapte vanaf 2013 alle verwijzingen naar berouw.
De timing van deze acties is gevoelig. De betrekkingen tussen Japan en China zijn de afgelopen tijd verder verslechterd, onder meer nadat Takaichi in het parlement had gesuggereerd dat een conflict rond Taiwan ook militair ingrijpen door Japan zou kunnen rechtvaardigen.
Tegelijkertijd voert Takaichi’s regering de defensie-uitgaven snel op en breidt Japan zijn militaire mogelijkheden uit. Peking presenteert die koers steeds nadrukkelijker als een terugkeer van het Japanse militarisme.
Beladen dag voor Seoul en Peking
Ook de toenadering tot Zuid-Korea maakt vandaag een beladen dag. Tokio en Seoul proberen, mede vanwege de dreiging van Noord-Korea en de groeiende macht van China, hun defensiesamenwerking voorzichtig te versterken, maar in beide landen leeft de herinnering aan de Japanse invasies en bezetting nog sterk.
Zuid-Korea stond van 1910 tot 1945 onder Japans koloniaal bestuur en grote delen van China werden in de jaren 30 door Japan bezet.
De gebeurtenissen van vandaag passen in de nationalistische koers van het kabinet-Takaichi: de Japanse oorlogsslachtoffers en een sterkere militaire rol voor Japan staan centraal, terwijl de eigen agressie in Azië en het leed dat daardoor werd veroorzaakt naar de achtergrond verdwijnen, wat de toenadering tot Seoul kan ondermijnen en het conflict met Peking verder kan aanwakkeren.

