NOS Nieuws•
“Over zorg weet ik alles, maar mijn taal moet beter”, zegt de Syrische Jamila. Als statushouder had ze moeite om Nederlands te leren en als ervaren verpleegkundige uit Syrië moest ze hier nog een mbo-opleiding doen, maar sinds deze week is ze aan het werk in een woonzorgcentrum in Rotterdam.
Het kabinet wil dit soort obstakels wegnemen om zo meer nieuwkomers aan werk te helpen. Volgens het kabinet zijn er te veel nieuwkomers in Nederland die niet werken in tijden van personeelstekorten. Vrijdag meldde VVD-minister Aartsen van Werk en Participatie in een brief aan de Tweede Kamer dat de komende jaren 75.000 statushouders geholpen gaan worden bij het vinden van een baan.
Van de statushouders die in 2021 een verblijfsvergunning kregen, heeft na twee jaar ongeveer een vijfde een baan. Dat aantal neemt na meerdere jaren toe tot bijna 60 procent, maar het blijft achter bij het Nederlandse gemiddelde. Daar moet verandering in komen, vindt Aartsen. Zeker omdat werkgevers in sectoren als de bouw of de zorg “schreeuwen om extra handen”.
Soepeler regels
Sinds eind 2023 mogen asielzoekers die zes maanden eerder een asielaanvraag hebben ingediend het hele jaar door werken. Dat wordt gezien als aantrekkelijk voor werkgevers, omdat nieuwkomers voorheen maar 24 weken per jaar mochten werken.
Een onderzoeker van het Sociaal Cultureel Planbureau zei in gesprek met de NOS dat “door te werken, nieuwkomers de taal en cultuur leren kennen”. Dat helpt volgens de onderzoeker bij de integratie in Nederland.
Jamila krijgt “ongelooflijk veel energie van haar werk”. Ze spreekt vol lof over de cliënten in het woonzorgcentrum en haar collega’s.
Een nieuwe start
Ze heeft veel ervaring in de zorg: in Syrië werkte ze twintig jaar als verpleegkundige, op verschillende plekken. Toen Jamila in Nederland kwam, moest ze een nieuwe start maken.
Begin dit jaar concludeerde de Algemene Rekenkamer dat statushouders nu nog vaak lastig een baan vinden vanwege de lange procedure en de taalobstakels. Betaald werk is lastig te combineren met taallessen en ook is er een tekort aan taaldocenten.
Als het me niet was gelukt om werk te vinden, was ik vrijwilligerswerk gaan doen.
Ook voor Jamila was het Nederlands een obstakel. Onder meer omdat zij de taal niet machtig was, had ze als statushouder moeite met werk vinden. “Taal is het allerbelangrijkst”, zegt ze.
Werkgevers stellen vaak hoge taaleisen aan werknemers. Een van de suggesties van de Rekenkamer was om taalonderwijs op de werkvloer mogelijk te maken. Het ministerie gaat onder meer hierover de komende maanden met werkgevers in gesprek.
Vorig jaar sprak de NOS met asielzoekers die werken bij een poedercoatingbedrijf in Nederland:
Asielzoekers werken steeds vaker: ‘Voor iedereen winst’
Niet alleen taal kan een obstakel zijn, ook hebben nieuwkomers vaak niet de passende studie gedaan voor een baan. Jamila heeft wel Syrische diploma’s, maar die zijn hier niet geldig. Zij heeft daarom de mbo-studie helpende zorg en welzijn gedaan. Daar staat normaal gesproken twee jaar voor; zij behaalde het diploma in acht maanden.
Dat sluit aan bij de plannen van het kabinet. De minister komt met een traject om relevante werkervaring of opleiding vanuit het land van herkomst te laten voldoen aan de Nederlandse maatstaven.
Vrouwen aan het werk
Ook komt er een speciaal traject om vrouwelijke asielzoekers in tien gemeenten aan het werk te krijgen. Nu is het nog zo dat één op de vijf vrouwen die in Nederland mag blijven een baan heeft. Aartsen wil dat dit er meer worden.
Dat zij minder werken heeft verschillende oorzaken, schrijft het ministerie. In het land van herkomst hebben ze vaak niet gewerkt en daardoor missen ze ervaring. Daarnaast is het volgens het ministerie lastig om zorgtaken te combineren met werk.
Dat herkent ook Jamila, die vijf kinderen heeft. Zij vindt het belangrijk om een goed voorbeeld te zijn voor haar kinderen en dat wil ze ook door te werken. “Als het me niet was gelukt om werk te vinden, was ik vrijwilligerswerk gaan doen”, zegt ze.
Zonder werk zou ze zich minder goed voelen. Toen ze pas kort in Nederland was, had ze verdriet over de oorlog in Syrië. Ze kende hier niemand en sprak de taal niet. Nu ze een studie heeft gedaan en werkt, gaat dat veel beter en wil ze zichzelf verder ontwikkelen.











