NOS Nieuws

In de Congolese provincie Ituri wordt met spanning uitgekeken naar de resultaten van een test met twee medicijnen tegen de Bundibugyo-variant van het ebolavirus. Het is een internationaal initiatief van universiteiten, farmaceuten en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

“We hopen dat door een of beide methoden de sterfte omlaag zal gaan. In het beste geval werken ze in combinatie nog beter en is het 1+1=3”, vertelt de Belgische arts Laurens Liesenborghs aan de NOS. Hij werkt voor het in Antwerpen gevestigde Instituut voor Tropische Geneeskunde, dat met de Universiteit van Oxford en de WHO betrokken is bij de studie. Liesenborghs is sinds zeven weken in Congo aan het werk.

Het resultaat van de klinische studie kan nog maanden op zich laten wachten. Intussen verspreidt de ziekte zich nog steeds in het uitgestrekte Afrikaanse land.

Volgens Africa CDC, het Afrikaanse RIVM, zijn er sinds het begin van de epidemie 1830 bevestigde gevallen van de Bundibugyo-variant en zijn 648 patiënten overleden.

Op dieren getest

Het gaat bij de proef om de medicijnen remdesivir, een bestaand antiviraal middel, en MBP134, een medicijn dat proteïnen bevat die het virus kunnen herkennen en neutraliseren.

Ze worden aan twee groepen ebolapatiënten gegeven. Beide medicijnen zijn op dieren getest en lijken te werken tegen de Bundibugyo-variant. De volgende stap is de studie bij mensen, die nu anderhalve week loopt. “Het moet bij zeker 700 à 1000 mensen worden getest om echt een verschil aan te kunnen tonen”, zegt de Belgische arts. “Het is te vroeg om daar nu al iets over te zeggen.”

“Het is fantastisch dat we zo zijn gestart”, zegt Amanda Rojek van de Universiteit van Oxford. Bij de ebola-uitbraak in West-Afrika in 2014, waarbij 11.000 doden vielen, kostte het een jaar om met klinische tests te beginnen. “Nu is het in zo’n zes weken gelukt.”

In Bunia, een van de plaatsen in Oost-Congo waar de variant in mei opdook, is er inmiddels sprake van een stabilisatie, maar intussen heeft de epidemie zich verder verspreid, weet ook Liesenborghs. “Er zijn mogelijk gevallen tot in Kisangani. Dat is een miljoenenstad en als de epidemie daar doorzet, is dat heel slecht nieuws.”

Tragisch, want het is goed mogelijk de uitbraak te beheersen. “In Uganda waren er aanvankelijk ook best wat besmettingen, maar daar verloopt de bestrijding veel efficiënter en hadden ze het snel onder controle”, zegt de arts. “Eigenlijk is het niet moeilijk als je goed contactonderzoek kan doen en patiënten kan isoleren, maar daar zijn hier de centra niet voor. Je ziet dat er door bezuinigingen op ontwikkelingshulp veel minder middelen worden vrijgemaakt, ook hiervoor.”

Meer aandacht voor de epidemie zou mogelijk helpen, maar Liesenborghs snapt dat die voor veel Europeanen een ver-van-mijn-bedshow is. “We hameren er zelf ook steeds op dat ebola geen voet aan de grond kan krijgen in Europa. Dus het leeft daar minder, alleen als er een Fransman wordt opgenomen met ebola is er opeens veel nieuws over, maar na dat kwijnt al snel weer weg.”

Niet gemakkelijk

Intussen werkt hijzelf door in het gebied, veelal met veiligheidsbril en gehuld in een wit pak dat het hele lichaam bedekt. “Het is heel warm, maar het is zeker vol te houden. Die pakken zorgen ervoor dat we op een veilige manier kunnen werken. Er worden ook behandelcentra gebouwd met doorschijnende wanden zodat we de patiënten op veilige afstand kunnen zien.

Hoewel de Bundibugyo-variant minder dodelijk is dan andere ebola-varianten, sterft toch een op de drie patiënten. “Dat is niet gemakkelijk”, erkent Liesenborghs, die voorlopig in Congo zal blijven. “Het is een heel heftige ziekte, mensen worden heel ziek en sommigen sterven. Het zijn erbarmelijke omstandigheden, maar dat is voor ons een extra motivatie om aan een behandeling te werken.”

Share.
Exit mobile version