NOS Nieuws
Leraren laten zich bij het geven van een schooladvies beïnvloeden door de kenmerken van een klas waarin leerlingen zitten, blijkt uit onderzoek(opent in nieuw venster) van de Erasmus School of Economics.
Leerlingen die behoren tot de best presterende van de klas, hebben een grotere kans op een vwo-advies. Andersom blijkt hetzelfde; leerlingen die het minst presteren van de klas, krijgen sneller een vmbo-advies. “Zelfs als de gemeten scores precies hetzelfde zijn”, vertelt onderzoeker van Max Coveney, universitair docent aan de Erasmus School of Economics.
De reden dat prestaties van leerlingen in een klas in vergelijking met klasgenoten worden meegenomen in het schooladvies, durft Coveney niet te zeggen. “Met mijn onderzoek wil ik vooral laten zien dat dit bestaat”, zegt Coveney. “De waaromvraag is voer voor een volgend onderzoek.”
‘Bewustwording belangrijk’
Toch kan het onderzoek van de Australische Coveney nu al verschil maken. “Natuurlijk zou ik niet willen dat docenten de ranglijst in de klas gebruiken bij het geven van een schooladvies, maar dat ze zich ervan bewust zijn, is al een grote stap.”
Zelf groeide Coveney op met het Australische onderwijssysteem, waar de middelbare school gemengd is. Pas als leerlingen 15 of 16 jaar oud zijn, wordt het niveau en de richting bepaald. In Nederland hebben sommige scholen een vergelijkbaar systeem, waarbij leerlingen in de burgklas qua niveau door elkaar zitten.
In groep acht krijgen leerlingen een voorlopig schooladvies van de leerkracht. Vervolgens maken zij de doorstroomtoets. Volgens de onderwijsinspectie kunnen leerlingen bij wie getwijfeld wordt tussen vmbo-tl en havo baat hebben bij een brede brugklas. In deze klas zitten leerlingen met verschillende schooladviezen en wordt het selectiemoment uitgesteld. Ook Coveney vindt dat leerlingen profijt hebben van een later meetmoment dan in groep 8 om het onderwijsniveau en de richting te bepalen.
Veel factoren spelen mee
Het geven van schooladvies blijft mensenwerk van de juffen en meesters die de kinderen een jaar onder zich hebben gehad. Bij het geven van een schooladvies spelen veel factoren een rol. Zo heeft de regio waar een kind opgroeit invloed op het schoolniveau waar het terechtkomt. Ook krijgen meiden vaker dan jongens een te laag schooladvies. Het blijkt dat jongens en meiden ongeveer gelijk scoren op de eindtoets, maar dat leraren meiden gemiddeld genomen lager inschatten.
De studie laat zien dat juist de meer ervaren, oudere docenten zich sterker laten beïnvloeden door hoe goed een klas presteert bij het geven van advies voor de middelbare school.
“Het is iets wat buiten leerlingen ligt, gebaseerd op de groep kinderen in hun klas”, benadrukt Coveney. “Het is zelfs onafhankelijk van hun absolute Cito-score, maar toch bepalend in het schooltraject.”
‘Meer zelfvertrouwen’
In het verleden is aangetoond dat kinderen die ongeacht hun niveau behoren tot de best presterende in de klas, later in het voortgezet onderwijs beter presteren. Een mogelijke uitleg is volgens Coveney dat deze kinderen meer zelfvertrouwen hebben.
Voor zijn onderzoek vergeleek Coveney de gegevens van ongeveer 460.000 leerlingen uit circa 200.000 gezinnen en meer dan 5.200 basisscholen tussen 2006 en 2021. Al deze data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) bevatten de Cito-scores, aanbevelingen van leerkrachten, de gezinssituatie en de latere onderwijsresultaten van de leerlingen, waaronder de vervolgopleidingen die ze volgden en of ze naar de universiteit gingen.
Kansrijk adviseren
Scholen zijn sinds schooljaar 2023/2024 verplicht het voorlopige schooladvies te heroverwegen als de eindtoets een beter resultaat laat zien. Als de toets beter is gemaakt dan verwacht, moet het definitieve schooladvies naar boven worden bijgesteld.
In mei adviseerde de Onderwijsraad dat er in het basis- en voortgezet onderwijs meer gekeken moet worden naar de leerling en minder naar de uitkomsten van de toetsen die de leerling maakt. Volgens de raad vergt dit een cultuuromslag op veel scholen. Louise Elffers, voorzitter van de Onderwijsraad, schrijft dat leerlingen aan het einde van het voortgezet onderwijs “vele honderden toetsen” hebben gemaakt. Dat zijn er veel te veel, staat in het rapport.

