NOS Nieuws••Aangepast
De Verenigde Naties noemen het uitvoeren van de Israëlische doodstraf in de Palestijnse Gebieden een oorlogsmisdaad, mocht dat gebeuren. Een wetsvoorstel dat rechters van militaire rechtbanken verplicht de doodstraf te geven als iemand wordt veroordeeld voor een terroristische moord, werd gisteren aangenomen door het Israëlische parlement.
Volker Türk, Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, spreekt van een “zeer discriminerende” wet. De nieuwe wet is overduidelijk in strijd met Israëls internationale rechtsverplichtingen, zegt hij in een verklaring.
De mensenrechtencommissaris roept op tot het intrekken van de wet en noemt het zeer teleurstellend dat de wet door de Knesset is goedgekeurd.
‘Terroristische daden’
De wet stelt dat de doodstraf moet worden opgelegd wanneer mensen schuldig worden bevonden aan het opzettelijk uitvoeren van dodelijke aanslagen. Een Israëlische militaire rechtbank moet de daden als “terroristische daden” beoordelen. In de praktijk behandelen dergelijke rechtbanken zaken van de bezette Westelijke Jordaanoever, waardoor verwacht wordt dat alleen Palestijnse verdachten de doodstraf opgelegd zullen krijgen.
Ook bepaalt de wet dat de doodvonnissen, eenmaal opgelegd, binnen negentig dagen moeten worden voltrokken. Volgens de VN is dat op zichzelf al een schending van het internationaal humanitair recht.
Een vooraanstaande Israëlische mensenrechtenorganisatie heeft een petitie ingediend bij het Israëlische Hooggerechtshof om de wet aan te vechten. Volgens de groep heeft Israël niet het recht om “wetgeving voor de Westelijke Jordaanoever vast te stellen”. Ook is volgens de ngo de wet ongrondwettelijk, omdat deze “rechten schendt die worden beschermd door de Grondwet van Israël: menselijke waardigheid en vrijheid.”
Ook de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Berendsen uitte zijn bezorgdheid over de wet. Gisteren sloot Nederland zich aan bij een gezamenlijke verklaring van Duitsland, Frankrijk, Italië, Australië en het Verenigd Koninkrijk, waarin die bezorgdheid formeel kenbaar werd gemaakt.
“We zijn met name bezorgd over het feitelijke discriminerende karakter van het wetsvoorstel. Het aannemen van dit wetsvoorstel brengt de democratische principes van Israël in gevaar”, zo luidt de verklaring.












