NOS Nieuws
Juist in de nadagen van de Nederlandse koloniën was het koningshuis bezig met het welbewust ontwikkelen van een imperialistische cultuur. Koningin Wilhelmina had daar een belangrijke rol in.
Dat schrijven historici die de rol van de Oranjes in het Nederlandse koloniale verleden onderzochten. Het viel hen op dat het culturele belang bijna meteen verdween toen er afscheid was genomen van de koloniën.
De koloniën maakten Wilhelmina daadwerkelijk tot voornaam vorstin, zo valt te lezen in de 2000 bladzijden van het onderzoek. “Van de haar aangeboden Gouden Koets bij haar inhuldiging in 1898 tot de Indische Zaal in Paleis Noordeinde die zij bij haar huwelijk ten geschenke kreeg, werd de allure van de Oranjes versterkt door oriëntalisme, exotisme en de uitstraling van koloniale macht en een onderworpen samenleving.”
Het was een beeld waarmee de Oranjes al eeuwen koketteerden. Ze omringden zich graag met koloniale snuisterijen, exotische elementen in huizen en tuinen of zwarte bedienden. “Alle stadhouders, koningen en koninginnen tot en met Wilhelmina waren overtuigd van de legitimiteit van het kolonialisme en het belang ervan voor Nederland.” Daarmee gaven ze steun aan een koloniaal beleid dat gebaseerd was op “Europese, witte superioriteit”.
Wilhelmina wordt door de onderzoekers de meest imperialistische van alle Oranjevorsten genoemd. Juist in een tijd dat de koloniën meer zeggenschap eisten, drong zij erop aan de koloniale macht verder uit te breiden en protest de kop in te drukken. “Militarisme was een wezenlijk onderdeel van Wilhelmina’s koloniale ethiek.”
De onderzoekers wijzen op de uitgesproken steun van de vorstin voor gewelddadige optredens als de Atjeh-oorlog of de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. “Met Indië is het mis, zelfs ik heb geen bedenking tegen politioneel optreden (aanwending v. troepen voor orde en rust)”, schreef ze haar dochter Juliana nog in 1947.
Een jaar later waarschuwde ze premier Beel “geen genoegen te kunnen nemen met een oplossing waarbij de extremisten niet worden opgeruimd”.
Eerder had Wilhelmina nog bij het kabinet aangedrongen op een Militaire Willems-Orde voor een bevelhebber van wie zelfs tijdgenoten oordeelden dat hij buitenproportioneel geweld had gebruikt. Wilhelmina spoorde aan “nu maar niet al te streng” te zijn over de man van wie zij “zo’n goede indruk” had. Schreven kranten over burgerslachtoffers, dan maakte zij zich vooral druk over de beeldvorming.
Meerdere keren lukte het de koningin “de grenzen van het staatsrecht op te rekken, of die zelfs over te gaan”, stellen de onderzoekers. Zo stond ze erop in haar eerste troonrede dank uit te spreken voor de verrichtingen in Atjeh. Hoewel de troonrede vooral bedoeld is voor kabinetsbeleid, ging premier Pierson akkoord met de persoonlijke noot.
De tientallen miljoenen Aziaten in haar rijk zag Wilhelmina niet als burgers, maar vooral als onderdanen. Die moesten vooral eerst geciviliseerd worden voordat ze zeggenschap over zichzelf konden krijgen. “Het kan wel honderd jaar duren voordat we de koppensnellers van Borneo kunnen opleiden en beschaven”, had ze tegen de Amerikaanse president Roosevelt gezegd toen hij haar vroeg naar haar toekomstplannen met Indië.
Na de Tweede Wereldoorlog moest ze schoorvoetend onafhankelijkheid accepteren. Kort voor haar dood in 1962 beweerde ze zich weleens te hebben “geschaamd een Europeaan te zijn”, vanwege het “Europese egoïsme” dat ze nu herkende. “Ik heb altijd gedacht dat wij vooral in het belang van de volken die daar wonen ginds werkten.”
Pas onder haar opvolger werd afscheid genomen van die imperialistische gedachte. Trots over de koloniën “veranderde vanaf Juliana langzamerhand in ongemak over het kolonialisme en de rol van de Oranjes”, schrijven de onderzoekers. Daarmee verdween tegelijkertijd ook de interesse voor de koloniën. “Na de dekolonisatie verdween het kolonialisme als bij toverslag uit de actieve Nederlandse herinnering.”
Op de achtergrond bleef het koloniale verleden aanwezig, maar vooral voor groepen die er een bijzondere band mee hadden, in de eerste plaats voor (re)migranten uit de koloniën, stellen de onderzoekers. Veel minder leefde het in de samenleving als geheel. Het bleek vervolgens ook heel gecompliceerd om die herinnering terug te brengen, weer te ‘activeren’. Dat proces is nog gaande, stellen de onderzoekers.
Met het aanbieden van excuses voor het Nederlandse slavernijverleden op 19 december 2022 werd er ook 200 miljoen euro vrijgemaakt voor meer kennis en bewustzijn over het slavernijverleden. Toenmalig premier Rutte sprak bij het uitspreken van die excuses van “een komma, geen punt”. In de jaren daarna klonk vooral uit de diaspora kritiek dat er van die komma niets bleek in de praktijk.
Met de excuses, het verzoek om vergiffenis en nu dit onderzoek breekt koning Willem-Alexander met de steun die er bij de Oranjes eeuwenlang is geweest voor het kolonialisme.












