Een aangespoelde potvis op het strand van Renesse

NOS Nieuws

Een dolfijn aangespoeld bij het Friese Wierum, een beloega gespot bij Callantsoog en een Risso’s dolfijn op het strand bij het Zeeuwse dorp Kamperland. In vier maanden tijd zijn tien verschillende soorten zeezoogdieren gezien en aangespoeld, zegt Jeroen Hoekendijk van SOS Dolfijn, een stichting die zich inzet voor walvisachtigen. Dat maakt 2026 voor Nederland een opvallend jaar.

Volgens Hoekendijk gaat het ook om soorten die lange tijd niet voor de Nederlandse kusten zijn waargenomen. Zo was de laatste keer dat een Risso’s dolfijn was gestrand in 1970 en werd in 1984 voor het laatst een beloega voor de Nederlandse kust gezien.

Oorzaken

Het is onduidelijk wat de aanleiding is van de vele aanspoelingen, zegt marien bioloog Lonneke IJsseldijk. Ze wil ook geen oorzaken benoemen, omdat het “plaatje te groot” is, stelt ze. Volgens IJsseldijk wordt daar per dier naar gekeken.

Zo komt het volgens de bioloog vaker voor dat een bruinvis op het strand aanspoelt, doordat de Noordzee het leefgebied is van de diersoort. Het komt minder vaak voor dat een potvis, zoals die bij Renesse, aanspoelt, zegt IJsseldijk.

Volgens haar kan het “druk” aanvoelen aan de kust doordat media veel over de gestrande dieren melden. Ook melden mensen sneller een dier als ze dat op het strand zien liggen. Voor Hoekendijk van SOS Dolfijn blijft het gissen. “Het is een samenloop van toevalligheden.”

Vervuiling

Elke diersoort heeft een eigen verhaal, zegt Hoekendijk. “De potvis in Renesse leeft en foerageert in de diepe oceaan. Hij hoort niet thuis in de ondiepe Noordzee. Maar we zien al honderden jaren dat verdwaalde potvisssen hier af en toe opduiken.”

Als zo’n walvis in de Noordzee terechtkomt, dan is het afgelopen voor het zeezoogdier, weet Hoekendijk. Volgens hem werkt de zee als een dodelijke trechter. “Het wordt steeds ondieper en aan alle kanten heb je de kust zitten.”

Ook geluidsvervuiling kan een rol spelen. “Er zijn rapportages over Russische onderzeeërs in de Noordzee die worden gevolgd door de West-Europese marine.” Daarbij wordt sonartechnologie ingezet die voor een verstoring kan zorgen bij sommige zeezoogdieren, vertelt Hoekendijk. “De zeedieren kunnen er gehoorschade door oplopen. Spitssnuitdolfijnen bijvoorbeeld, waarvan er vorig jaar twee levend aanspoelden bij Heemskerk, jagen met behulp van hun eigen sonar in diep water. Bij gehoorverlies kunnen ze hun prooien niet meer detecteren.”

Specialistische zorg

Het wel of niet redden van een gestrand zeezoogdier hangt af van verschillende factoren, zegt IJsseldijk. Zo spelen de gezondheid en de grootte van een zeedier een rol.

Daar is Mardik Leopold, marien bioloog aan de Universiteit Wageningen, het mee eens. Een meterslange walvis is te zwaar, daar kan je volgens hem niks mee beginnen. “Dan loopt het dier een dwarslaesie op.” Een kleiner dier, zoals een bruinvis van ongeveer 50 kilo, kan volgens hem wel behandeld worden.

Hoekendijk raadt het af om gestrande dieren terug de zee in te duwen, omdat er vaak iets mis is met ze. Zo kunnen ze volgens hem ziek zijn of hebben ze spierschade opgelopen. De dieren hebben volgens hem eerst specialistische zorg nodig voordat ze weer vrij kunnen worden gelaten.

Share.
Exit mobile version