NOS Nieuws

Noor de Kortredacteur Online

Vandaag begint in Utrecht het Nederlands Film Festival, met tientallen Nederlandse producties. Nederlandse films winnen de laatste jaren veel prijzen op internationale festivals, maar het concurrentievermogen van de Nederlandse filmindustrie staat onder druk, constateert het Nederlands Filmfonds.

Daarbij speelt onder andere de manier waarop de films gefinancierd worden. “De afhankelijkheid van het Filmfonds is groot”, zegt woordvoerder Marieke van Zalk. “Wij financieren nooit een hele film. Makers moeten altijd op zoek naar andere potjes.”

En dat is volgens haar niet eenvoudig in Nederland. In het buitenland zijn volgens het Filmfonds meer mogelijkheden om private investeringen aan te trekken van bijvoorbeeld bedrijven. Mede daardoor hebben buitenlandse filmmakers vaak hogere budgetten.

Dat herkent Maarten Swart, producent van de openingsfilm Downtown op het Filmfestival. “We zitten als Nederland in de lift als het gaat om ambities en makers. Maar er is meer nodig om ons internationaal te blijven meten.”

Downtown | Officiële trailer NL(opent in nieuw venster)

Meerdere Nederlandse films vielen vorig jaar internationaal in de prijzen. Zo won Nina Gantz in Engeland een Bafta voor Wander to Wonder en Victoria Warmerdam kreeg een Oscar voor Ik ben geen Robot. De film Rietland van Sven Bresser was de eerste Nederlandse film in 27 jaar die werd geselecteerd voor de prestigieuze competitie La Semaine de la Critique op het filmfestival in Cannes.

Maar er moet iets gebeuren als we willen dat Nederlandse films succesvol blijven, stond onlangs in een onderzoek(opent in nieuw venster) in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Want het succes wordt op meerdere fronten bedreigd.

Zo zijn de productiekosten flink gestegen, zowel de loonkosten als de kosten om een set te bouwen. “De subsidies zijn wel mee gestegen, maar niet genoeg om het te dekken”, zegt producent Swart.

Daarnaast ondervinden films veel concurrentie van streamingdiensten. Ook speelt mee dat de afzetmarkt voor Nederlandse films relatief klein is. “Frankrijk heeft een groter taalgebied”, zegt Swart. “Dat verkoopt toch makkelijker.”

Voor de productie van Downtown kregen de makers geld van het Nederlands Filmfonds. Ook maakten ze gebruik van een zogenoemde production incentive, die Nederland kent. Hierbij krijgen filmproducenten een bepaald percentage terug van de gemaakte kosten. Maar het nadeel van die constructie is dat dit wordt betaald uit een pot, zegt Swart. “En als die leeg is, kan je soms niet verder.”

Downtown is ook deels gefinancierd door het Vlaams Audiovisueel Fonds. Tegenover dit soort geld uit het buitenland staan altijd afspraken, zegt Swart. “We werken nu met een Belgische crew.”

En de filmmakers maakten gebruik van een Belgische fiscale regeling, de zogenoemde tax shelter. Bedrijven die in België zijn gevestigd krijgen belastingvoordeel als ze investeren in films. Hij hoopt dat Nederland een soortgelijke regeling krijgt.

Ook in het onderzoek van deze zomer staat de aanbeveling om de mogelijkheden te vergroten om private investeerders te trekken. Minister Letschert liet afgelopen week in een brief aan de Tweede Kamer weten dat ze hier in het najaar van 2027 op terugkomt.

Share.
Exit mobile version