NOS Nieuws•
-
David Poort
correspondent Midden-Oosten
-
David Poort
correspondent Midden-Oosten
Aan het begin van de oorlog zat er nog een Nederlands ambassadeteam in Teheran. Terwijl de bombardementen begonnen en in intensiteit toenamen, stonden diplomaten daar voor een fundamentele vraag: hoelang kun je blijven functioneren in een stad onder vuur, en wanneer komt het moment dat je moet vertrekken? Die afweging speelde dagenlang, terwijl de situatie in hoog tempo verslechterde.
Het besluit viel uiteindelijk na tien dagen van aanhoudende aanvallen op de Iraanse hoofdstad. De oorlog had de stad veranderd in een plek waar niets meer vanzelfsprekend was. Voor het Nederlandse ambassadeteam werd de conclusie onontkoombaar: blijven was risicovoller geworden dan vertrekken.
Wat volgde was geen klassieke evacuatie. Geen vliegtuig, geen snelle uitweg. Het werd een autorit, urenlang, door een land in oorlog. Maar die rit vertelt maar een deel van het verhaal over hoe het ministerie van Buitenlandse Zaken Nederlandse ambassades veilig probeert te houden in oorlogstijd.
Een besluit dat niet plotseling valt
Yaron Oppenheimer, waarnemend directeur Veiligheid, Crisiscoördinatie en Integriteit bij Buitenlandse Zaken, was vanuit zijn functie verantwoordelijk voor de operatie om de ambassade te verplaatsen. Voor hem begon het verhaal al ver voordat de eerste bommen vielen.
Ambassades werken met veiligheids- en crisisplannen die continu worden aangepast, zegt Oppenheimer in een interview met de NOS. Zodra een conflict escaleert, wordt het contact intensiever, volgen crisisoverleggen elkaar op en schuiven steeds meer onderdelen van het ministerie aan.
Het moment dat je de stad uit moet die wordt gebombardeerd, dat is het meest risicovol.
De kernvraag blijft steeds hetzelfde: wat levert aanwezigheid nog op en wanneer wordt het risico te groot? In Teheran verschoof dat evenwicht geleidelijk. De aanvallen namen toe, Iraanse contacten waren steeds slechter bereikbaar, en de kans op verdere ontwrichting van het land groeide met de dag.
“Op een gegeven moment kom je tot de conclusie: dit is niet meer verantwoord”, zegt Oppenheimer vanuit het ministerie in Den Haag. Die conclusie komt niet uit het niets. Het is het resultaat van dagen, soms weken, van inschattingen en eindigt uiteindelijk met een politiek besluit.
De stad uit, waar de bommen vallen
Toen het besluit eenmaal was genomen, begon de operatie direct. In Den Haag werd een crisisteam ingericht dat de verplaatsing in realtime volgde. Tegelijk bereidde het team in Teheran zich voor op vertrek, volgens bestaande draaiboeken, aangepast aan de werkelijkheid van dat moment.
De eerste kilometers waren het spannendst. “Het moment dat je de stad uit moet die wordt gebombardeerd, dat is het meest risicovol”, zegt Oppenheimer. Daarna volgde een lange rit richting de grens met Azerbeidzjan. Normaal zo’n zeven uur. Dit keer veel langer.
In de bergen sloeg het weer om. Een verkeersongeluk op een besneeuwde bergweg vertraagde de colonne SUV’s, wat betekende dat het team langer blootgesteld zou worden aan risico’s.
Het Azerbeidzjaanse staatsnieuwsagentschap Azertac maakte deze foto’s aan de grens met Iran:
-
Ambassadeur Emiel de Bont bij de grens met Azerbeidzjan -
Ambassadeur Emiel de Bont bij de grens met Azerbeidzjan -
Ambassadeur Emiel de Bont aan de grens tussen Iran en Azerbeidzjan
De evacuatie onderstreept een ongemakkelijke realiteit: vertrekken is niet per se veiliger dan blijven. Er waren risico’s die niet te controleren zijn. Een aanval die verkeerd valt. Een checkpoint waar de situatie escaleert. Een ongeluk op een besneeuwde bergweg. “Er had van alles mis kunnen gaan”, zegt Oppenheimer. De keuze om te vertrekken was dus geen keuze voor veiligheid, maar voor het minste risico.
Na uren rijden bereikte het team de grens bij Astara. Daar liep het plan vast. De grens bleek gesloten. Volgens alle informatie had die open moeten zijn, maar in crisissituaties wijkt de werkelijkheid vaak af van het draaiboek. De groep moest uitwijken naar een hotel en de nacht afwachten. Een extra etappe en een extra risico.
De volgende ochtend mocht de groep alsnog door. Aan de andere kant stonden collega’s klaar om hen op te vangen. Pas toen kon er in Den Haag opgelucht ademgehaald worden. “We gaven elkaar hier wel een paar highfives”, zegt Oppenheimer.
Wat achterblijft en waarom
In Teheran bleef een lege ambassade achter. Voor vertrek werd de Nederlandse vlag gestreken en werden gevoelige materialen vernietigd of onbruikbaar gemaakt. Dat gebeurde volgens vaste procedures, waarover het ministerie weinig details deelt.
Belangrijker is wat niet werd achtergelaten: de diplomatieke relatie met Iran. De ambassade is niet gesloten, maar tijdelijk verplaatst. Dat onderscheid is cruciaal want Nederland wil, zodra het kan, weer terug naar Teheran.
Want juist in landen als Iran is aanwezigheid strategisch belangrijk, vanuit politiek en veiligheidsoogpunt. Ambassades fungeren als ogen en oren, zeker in regio’s waar ontwikkelingen direct impact hebben op energie, scheepvaart en geopolitiek.
Niet alleen Teheran
Nederlandse ambassades in een reeks van landen in het Midden-Oosten staan onder druk, van Beiroet tot Bagdad, van Tel Aviv tot de Golfstaten. Het gaat om twaalf posten die direct geraakt worden door de oorlog rond Iran.
Dat betekent dat veiligheidsmaatregelen worden aangescherpt. In sommige landen werken ambassades met minimale bezetting, elders worden alternatieve locaties gebruikt of diensten afgeschaald. Voor de crisisteams in Den Haag betekent het iets fundamentelers: meerdere crises tegelijk, in één regio. Het systeem is daarop ingericht maar het vraagt het uiterste van de teams.
Na Kabul en Khartoem is dit opnieuw een voorbeeld van hoe diplomatie steeds minder statisch wordt. Ambassades zijn onmisbaar als ankerpunten in de relaties tussen landen maar soms moeten ze zich tijdelijk verplaatsen om later weer terug te keren. Dat vraagt om een andere manier van werken: flexibeler, sneller, maar ook met grotere kwetsbaarheid.











